Vrijstelling doorstorting bedrijfsvoorheffing: ploegenarbeid bij werken in onroerende staat

Werkgevers uit de bouw- en aanverwante sectoren kunnen vanaf 2018 genieten van een vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing op de lonen van de tewerkgestelde werknemers in ploegen.

Deze vrijstelling blijkt in de praktijk echter moeilijk toepasbaar desondanks de circulaire die fiscus hierover heeft uitgebracht. We zetten de belangrijkste voorwaarden op een rij.

Werken in onroerende staat

Deze vrijstelling kan genoten worden door ondernemingen die werkzaamheden in onroerende staat uitoefenen. Hiervoor wordt verwezen naar de definitie van onroerende werkzaamheden zoals opgenomen in de BTW-wetgeving (art. 20, § 2, KB nr. 1 van 29.12.1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde).

Het betreft dus niet enkel de bouwsector (PC 124) maar ook andere sectoren waar dergelijke activiteiten worden verricht namelijk de schoonmaaksector (PC 121), de sector hout- en stoffering (PC 126), de landbouwsector (PC 144), de metaalsector (PC 111) en de elektriciens (PC 149.01).

Deze maatregel kan ook toegepast worden door uitzendbedrijven die uitzendkrachten ter beschikking stellen aan deze ondernemingen.

Ploegenarbeid

Er geldt een ruim toepassingsgebied wat betreft het begrip ‘ploegenarbeid’.

Voor wat werken in onroerende staat betreft, zijn 'ondernemingen waar ploegenarbeid wordt verricht' ondernemingen waar:

  • het werk wordt verricht in één of meerdere ploegen;
  • de ploegen minstens twee personen omvatten;
  • de ploegen hetzelfde of complementair werk doen zowel qua inhoud als qua omvang;
  • de ploegen het werk verrichten op locatie, d.w.z. op de werf.

De fiscus geeft geen verdere details. De vraag is of hier ook de 1/3e regel moet worden toegepast waarbij een werknemer minstens 1/3e van de arbeidstijd in ploegenarbeid moet worden tewerkgesteld.

Opgelet, deze vrijstelling kan niet gecumuleerd worden met de reeds bestaande vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing bij nacht- en ploegenarbeid.

Loonvoorwaarde

De werknemer moet een bruto-uurloon ontvangen van minimum 13,75 euro. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd waardoor het bruto-uurloon van een werknemer in 2018 minimum 17,42 euro zou moeten bedragen. Dit is natuurlijk een hoog uurloon voor een arbeider.

Berekeningsgrondslag

De berekeningsgrondslag bestaat uit de belastbare bezoldigingen van de werknemers, inclusief ploegenpremies, met uitzondering van:

  • premies, andere dan de ploegenpremie;
  • het vakantiegeld;
  • de eindejaarspremie en
  • achterstallige bezoldigingen.

De vrijstelling van doorstorting bedraagt 3% (6% vanaf 1 januari 2019 en 18% vanaf 1 januari 2020) van de belastbare bezoldigingen (lonen, wedden, ploegenpremies, voordelen van alle aard) van de groep van werknemers die in aanmerking komen voor deze vrijstelling.

Bedrag van de vrijstelling

Het percentage aan vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing bedraagt3 % van de belastbare bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 01.01.2018. De vrijstelling wordt verhoogd naar 6% in 2019 en 18% in 2020.

Indien deze vrijstelling voor een individuele werknemer niet optimaal benut kan worden, kan dit overgedragen worden naar een andere werknemer binnen de onderneming die aan de voorwaarden voldoet.

Inwerkingtreding

Deze maatregel is retroactief van toepassing op bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 01.01.2018.

 

Bron: Circulaire 2018/C/73 over de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor ploegenarbeid – invoering van een specifieke maatregel voor werken in onroerende staat; artikelen 74 en 75 van de wet van 26.03.2018 betreffende de versterking van de economische groei en de sociale cohesie; Artikel 2755, § 5, WIB 92; www.vlaio.be.